
Verleden tijd
Zelfde-klankwerkwoorden
Leerdoel
Ik kan werkwoorden in de verleden tijd goed spellen met -te/-ten of -de/-den.
Leerkaart
Bij de verleden tijd kijk je naar de laatste letter vóór -en in het hele werkwoord.
- Staat die letter in ’t kofschip — t, k, f, s, ch, p, x — dan gebruik je -te of -ten.
- Staat die letter er niet in, dan gebruik je -de of -den.
| Hele werkwoord | Laatste letter vóór -en | Verleden tijd |
|---|---|---|
| werken | k | ik werkte, wij werkten |
| fietsen | s | ik fietste, wij fietsten |
| regelen | l | ik regelde, wij regelden |
| gooien | i | ik gooide, wij gooiden |
Bij ik en hij/zij gebruik je -te of -de. Bij wij, jullie, zij gebruik je -ten of -den.
Oefening 1 – Vul het schema in
Vul de vormen in de tegenwoordige tijd en de verleden tijd in.
| Werkwoord | Onderwerp | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|---|
| botsen | ik | __________ | __________ |
| hij | __________ | __________ | |
| wij | __________ | __________ | |
| breien | ik | __________ | __________ |
| hij | __________ | __________ | |
| wij | __________ | __________ |
Oefening 2 – Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd
- Mijn moeder __________ deze zomer door. (werken)
- Elke avond __________ we een eindje. (fietsen)
- We __________ een balletje over. (gooien)
- Ik __________ naar een echte vakantie. (verlangen)
- Mijn moeder __________ toch iets voor mij. (regelen)
- Ik __________ het vlak van tevoren. (horen)
- Ze __________ me in een kinderkamp. (plaatsen)
- In het begin __________ ik mijn moeder. (missen)
- Maar ik __________ snel vrienden. (maken)
- We __________ in een bootje, __________ hout voor een hut en __________ met de leiding. (roeien, slepen, stoeien)
Oefening 3 – Kies de goede vorm
Kies de juiste vorm.
- Gisteren werkte / werkde ik aan mijn huiswerk.
- Vorige week fietsten / fietsden wij naar het strand.
- Hij gooide / goote de bal naar mij.
- Mijn vader regelde / regelte de afspraak.
- De kinderen speelden / speelten buiten.
- Ik miste / misde mijn vrienden.
Extra uitdaging
Schrijf twee zinnen over iets wat je gisteren deed. Gebruik in de ene zin een werkwoord met -te/-ten en in de andere een werkwoord met -de/-den.