✍️ Spelling: verleden tijd (thema 2, week 1)

Verleden tijd

Zelfde-klankwerkwoorden

Leerdoel
Ik kan werkwoorden in de verleden tijd goed spellen met -te/-ten of -de/-den.

Leerkaart

Bij de verleden tijd kijk je naar de laatste letter vóór -en in het hele werkwoord.

  • Staat die letter in ’t kofschip — t, k, f, s, ch, p, x — dan gebruik je -te of -ten.
  • Staat die letter er niet in, dan gebruik je -de of -den.
Hele werkwoordLaatste letter vóór -enVerleden tijd
werkenkik werkte, wij werkten
fietsensik fietste, wij fietsten
regelenlik regelde, wij regelden
gooieniik gooide, wij gooiden

Bij ik en hij/zij gebruik je -te of -de. Bij wij, jullie, zij gebruik je -ten of -den.


Oefening 1 – Vul het schema in

Vul de vormen in de tegenwoordige tijd en de verleden tijd in.

WerkwoordOnderwerpTegenwoordige tijdVerleden tijd
botsenik____________________
hij____________________
wij____________________
breienik____________________
hij____________________
wij____________________

Oefening 2 – Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd

  1. Mijn moeder __________ deze zomer door. (werken)
  2. Elke avond __________ we een eindje. (fietsen)
  3. We __________ een balletje over. (gooien)
  4. Ik __________ naar een echte vakantie. (verlangen)
  5. Mijn moeder __________ toch iets voor mij. (regelen)
  6. Ik __________ het vlak van tevoren. (horen)
  7. Ze __________ me in een kinderkamp. (plaatsen)
  8. In het begin __________ ik mijn moeder. (missen)
  9. Maar ik __________ snel vrienden. (maken)
  10. We __________ in een bootje, __________ hout voor een hut en __________ met de leiding. (roeien, slepen, stoeien)

Oefening 3 – Kies de goede vorm

Kies de juiste vorm.

  1. Gisteren werkte / werkde ik aan mijn huiswerk.
  2. Vorige week fietsten / fietsden wij naar het strand.
  3. Hij gooide / goote de bal naar mij.
  4. Mijn vader regelde / regelte de afspraak.
  5. De kinderen speelden / speelten buiten.
  6. Ik miste / misde mijn vrienden.

Extra uitdaging

Schrijf twee zinnen over iets wat je gisteren deed. Gebruik in de ene zin een werkwoord met -te/-ten en in de andere een werkwoord met -de/-den.