
Tegenwoordige tijd
Met stam op -d
Leerdoel
Ik kan werkwoorden in de tegenwoordige tijd goed spellen. Ik weet wanneer ik stam + t schrijf en let op werkwoorden met d aan het einde van de stam.
Leerkaart
| Onderwerp | Regel | Voorbeeld: vinden |
|---|---|---|
| ik | stam | ik vind |
| jij, u, hij, zij, het | stam + t | jij vindt, hij vindt |
| wij, jullie, zij | hele werkwoord | wij vinden |
Zo vind je de stam: haal -en van het hele werkwoord af. Let op de spelling:
- vinden → vind → hij vindt
- landen → land → hij landt
- laden → laad → hij laadt
- snijden → snijd → hij snijdt
Als de stam eindigt op d, schrijf je bij jij, u, hij, zij, het dus dt.
Let op bij jij: staat jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je alleen de stam:
Jij vindt het. → Vind jij het?
Oefening 1 – Vul de vormen in
Schrijf bij elk werkwoord de juiste vorm voor ik, hij en wij.
| Werkwoord | ik | hij | wij |
|---|---|---|---|
| vinden | __________ | __________ | __________ |
| broeden | __________ | __________ | __________ |
| voeden | __________ | __________ | __________ |
| landen | __________ | __________ | __________ |
| bloeden | __________ | __________ | __________ |
| binden | __________ | __________ | __________ |
Oefening 2 – Vul de persoonsvorm in
Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de tegenwoordige tijd.
- Mijn vader __________ zijn geweer. (laden)
- Ik __________ meteen van schrik. (beven)
- Ik __________ wat hij gaat doen! (raden)
- Hij en de buurman __________ vandaag de fazant. (doden)
- Dan __________ mijn vader de fazant in vier stukken. (snijden)
- Daarna __________ hij hem in de pan. (braden)
- Ik __________ mijn hoofd en __________ dat de fazant blijft leven. (schudden, bidden)
- Razendsnel __________ ik naar de schuur. (rijden)
- Je __________ het al! (raden)
- Ik __________ mijn fazant de vrijheid. (geven)
Oefening 3 – Kies de goede vorm
Kies de juiste vorm.
- De vogel vind / vindt een nest.
- De boer land / landt met zijn vliegtuig op het veld.
- Bind / Bindt jij het verbandje om?
- Mijn vader laad / laadt de spullen in de auto.
- Ik snijd / snijdt de appel in stukjes.
- Het wondje bloed / bloedt een beetje.
Extra uitdaging
Maak drie zinnen in de tegenwoordige tijd:
- Eén zin met ik: __________________________________
- Eén zin met hij of zij: __________________________
- Eén vraag met jij: ________________________________