✍️ Spelling: tegenwoordige tijd (thema 1, week 3)

Tegenwoordige tijd

Met stam op -d

Leerdoel
Ik kan werkwoorden in de tegenwoordige tijd goed spellen. Ik weet wanneer ik stam + t schrijf en let op werkwoorden met d aan het einde van de stam.

Leerkaart

OnderwerpRegelVoorbeeld: vinden
ikstamik vind
jij, u, hij, zij, hetstam + tjij vindt, hij vindt
wij, jullie, zijhele werkwoordwij vinden

Zo vind je de stam: haal -en van het hele werkwoord af. Let op de spelling:

  • vinden → vind → hij vindt
  • landen → land → hij landt
  • laden → laad → hij laadt
  • snijden → snijd → hij snijdt

Als de stam eindigt op d, schrijf je bij jij, u, hij, zij, het dus dt.

Let op bij jij: staat jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je alleen de stam:
Jij vindt het. → Vind jij het?


Oefening 1 – Vul de vormen in

Schrijf bij elk werkwoord de juiste vorm voor ik, hij en wij.

Werkwoordikhijwij
vinden______________________________
broeden______________________________
voeden______________________________
landen______________________________
bloeden______________________________
binden______________________________

Oefening 2 – Vul de persoonsvorm in

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de tegenwoordige tijd.

  1. Mijn vader __________ zijn geweer. (laden)
  2. Ik __________ meteen van schrik. (beven)
  3. Ik __________ wat hij gaat doen! (raden)
  4. Hij en de buurman __________ vandaag de fazant. (doden)
  5. Dan __________ mijn vader de fazant in vier stukken. (snijden)
  6. Daarna __________ hij hem in de pan. (braden)
  7. Ik __________ mijn hoofd en __________ dat de fazant blijft leven. (schudden, bidden)
  8. Razendsnel __________ ik naar de schuur. (rijden)
  9. Je __________ het al! (raden)
  10. Ik __________ mijn fazant de vrijheid. (geven)

Oefening 3 – Kies de goede vorm

Kies de juiste vorm.

  1. De vogel vind / vindt een nest.
  2. De boer land / landt met zijn vliegtuig op het veld.
  3. Bind / Bindt jij het verbandje om?
  4. Mijn vader laad / laadt de spullen in de auto.
  5. Ik snijd / snijdt de appel in stukjes.
  6. Het wondje bloed / bloedt een beetje.

Extra uitdaging

Maak drie zinnen in de tegenwoordige tijd:

  • Eén zin met ik: __________________________________
  • Eén zin met hij of zij: __________________________
  • Eén vraag met jij: ________________________________