✍️ Spelling: tegenwoordige tijd (thema 1, week 2)

Tegenwoordige tijd

v/f -en z/s-wisseling

Leerdoel
Ik kan werkwoorden in de tegenwoordige tijd goed spellen. Ik let op de stam en op stam + t.

Leerkaart

Haal -en van het hele werkwoord af. Zo vind je de stam.

OnderwerpRegelVoorbeelden
ikstamik schrijf, ik reis
jij, u, hij, zij, hetstam + tjij schrijft, hij reist
wij, jullie, zijhele werkwoordwij schrijven, wij reizen

Let op bij jij: staat jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je alleen de stam:
Jij schrijft. → Schrijf jij?

Sommige werkwoorden veranderen van spelling als je de -en weghaalt:

  • blijven → blijf
  • geven → geef
  • wijzen → wijs
  • lezen → lees

Bij wij, jullie, zij schrijf je het hele werkwoord: wij blijven, wij geven, wij wijzen, wij lezen.


Oefening 1 – Vul het schema in

Schrijf de juiste vorm in de tegenwoordige tijd.

Werkwoordikhijwij
hoeven______________________________
wijzen______________________________
glanzen______________________________
schuiven______________________________

Oefening 2 – Schrijf de persoonsvorm op

Vul het werkwoord tussen haakjes goed in.

  1. Nabil __________ een vliegend tapijt van zijn opa. (erven)
  2. Zijn hart __________ als hij erop plaatsneemt. (bonzen)
  3. Hij __________ : “ Ik __________ straks door de lucht?” (peinzen, suizen)
  4. Maar het tapijt __________ aan de grond. (blijven)
  5. Zijn moeder __________ Nabil de gebruiksaanwijzing. (geven)
  6. Snel __________ hij de woorden. (lezen)
  7. Er staat: “__________ je nu de lucht in?” (durven)
  8. Nabil __________ zachtjes omhoog. (zweven)
  9. Zijn moeder __________ binnen. (stuiven)
  10. Ze __________ naar de vazen. (wijzen)
  11. Snel __________ ze alle breekbare spullen opzij. (schuiven)
  12. Nabil __________: “Vliegen kun je beter buiten doen.” (blazen)

Oefening 3 – Kies de goede vorm

Kies de juiste persoonsvorm.

  1. Ik geef / geeft mijn schrift aan de juf.
  2. Wijs / Wijst jij de weg naar de klas?
  3. Het tapijt zweef / zweeft boven de grond.
  4. Wij leest / lezen de gebruiksaanwijzing.
  5. Hij schuif / schuift de stoel naar voren.
  6. De lampen glans / glanzen in de zon.

Extra uitdaging

Schrijf drie eigen zinnen in de tegenwoordige tijd:

  • Eén zin met ik: __________________________________
  • Eén zin met hij of zij: __________________________
  • Eén zin met wij of jullie: ________________________