
Tegenwoordige tijd
v/f -en z/s-wisseling
Leerdoel
Ik kan werkwoorden in de tegenwoordige tijd goed spellen. Ik let op de stam en op stam + t.
Leerkaart
Haal -en van het hele werkwoord af. Zo vind je de stam.
| Onderwerp | Regel | Voorbeelden |
|---|---|---|
| ik | stam | ik schrijf, ik reis |
| jij, u, hij, zij, het | stam + t | jij schrijft, hij reist |
| wij, jullie, zij | hele werkwoord | wij schrijven, wij reizen |
Let op bij jij: staat jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je alleen de stam:
Jij schrijft. → Schrijf jij?
Sommige werkwoorden veranderen van spelling als je de -en weghaalt:
- blijven → blijf
- geven → geef
- wijzen → wijs
- lezen → lees
Bij wij, jullie, zij schrijf je het hele werkwoord: wij blijven, wij geven, wij wijzen, wij lezen.
Oefening 1 – Vul het schema in
Schrijf de juiste vorm in de tegenwoordige tijd.
| Werkwoord | ik | hij | wij |
|---|---|---|---|
| hoeven | __________ | __________ | __________ |
| wijzen | __________ | __________ | __________ |
| glanzen | __________ | __________ | __________ |
| schuiven | __________ | __________ | __________ |
Oefening 2 – Schrijf de persoonsvorm op
Vul het werkwoord tussen haakjes goed in.
- Nabil __________ een vliegend tapijt van zijn opa. (erven)
- Zijn hart __________ als hij erop plaatsneemt. (bonzen)
- Hij __________ : “ Ik __________ straks door de lucht?” (peinzen, suizen)
- Maar het tapijt __________ aan de grond. (blijven)
- Zijn moeder __________ Nabil de gebruiksaanwijzing. (geven)
- Snel __________ hij de woorden. (lezen)
- Er staat: “__________ je nu de lucht in?” (durven)
- Nabil __________ zachtjes omhoog. (zweven)
- Zijn moeder __________ binnen. (stuiven)
- Ze __________ naar de vazen. (wijzen)
- Snel __________ ze alle breekbare spullen opzij. (schuiven)
- Nabil __________: “Vliegen kun je beter buiten doen.” (blazen)
Oefening 3 – Kies de goede vorm
Kies de juiste persoonsvorm.
- Ik geef / geeft mijn schrift aan de juf.
- Wijs / Wijst jij de weg naar de klas?
- Het tapijt zweef / zweeft boven de grond.
- Wij leest / lezen de gebruiksaanwijzing.
- Hij schuif / schuift de stoel naar voren.
- De lampen glans / glanzen in de zon.
Extra uitdaging
Schrijf drie eigen zinnen in de tegenwoordige tijd:
- Eén zin met ik: __________________________________
- Eén zin met hij of zij: __________________________
- Eén zin met wij of jullie: ________________________