
Tegenwoordige tijd
Normaal en met stam op -t
Leerdoel
Ik kan de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd goed spellen met de stam en stam + t.
Leerkaart
Een werkwoord verandert mee met het onderwerp.
| Onderwerp | Regel | Voorbeeld: kleuren |
|---|---|---|
| ik | stam | ik kleur |
| jij, u, hij, zij, het | stam + t | jij kleurt, hij kleurt |
| wij, jullie, zij | hele werkwoord | wij kleuren |
Zo vind je de stam: haal -en van het hele werkwoord af.
- kleuren → kleur
- fluiten → fluit
- zorgen → zorg
- huilen → huil
- rusten → rust
Let op bij jij: staat jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je alleen de stam:
Jij kleurt. → Kleur jij?
Let ook op: eindigt de stam al op een t, dan komt er geen extra t bij.
rusten → rust → hij rust
gieten → giet → hij giet
Oefening 1 – Vul het schema in
Schrijf de juiste vorm in de tegenwoordige tijd.
| Werkwoord | ik | hij | wij |
|---|---|---|---|
| gieten | __________ | __________ | __________ |
| zorgen | __________ | __________ | __________ |
| huilen | __________ | __________ | __________ |
| rusten | __________ | __________ | __________ |
Oefening 2 – Schrijf de persoonsvorm op
Vul het werkwoord tussen haakjes goed in.
- Bert __________ hoog in een boom. (klimmen)
- Hij __________ even uit op een tak. (rusten)
- In de verte __________ hij huizen. (zien)
- Daarna __________ hij naar beneden. (kijken)
- De wereld __________ voor zijn ogen. (draaien)
- Bert __________ van angst. (zweten)
- Hij __________: “Ik durf niet meer!” (denken)
- “Ik __________ er niet meer uit,” zegt hij. (durven)
- “Als ik __________, __________ iemand mij misschien.” (wachten, redden)
- “__________ ik hier morgen nog?” (zitten)
- Bert wordt moe en __________. (gapen)
- Hij __________ naar huis. (bellen)
- “__________ jullie me alsjeblieft halen?” (komen)
Oefening 3 – Kies de goede vorm
Kies de juiste persoonsvorm.
- Jij fluit / fluitt een vrolijk liedje.
- De kinderen kleurt / kleuren de tekening.
- Rust / Rustt jij even uit?
- Mijn broer zorg / zorgt voor de hond.
- Ik giet / giett water in de plantenpot.
- De vogels fluit / fluiten in de boom.
Extra uitdaging
Schrijf drie eigen zinnen in de tegenwoordige tijd:
- Eén zin met ik: __________________________________
- Eén zin met hij of zij: __________________________
- Eén zin met wij of jullie: ________________________