✍️ Spelling: tegenwoordige tijd (thema 1, week 1)

Tegenwoordige tijd

Normaal en met stam op -t

Leerdoel
Ik kan de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd goed spellen met de stam en stam + t.

Leerkaart

Een werkwoord verandert mee met het onderwerp.

OnderwerpRegelVoorbeeld: kleuren
ikstamik kleur
jij, u, hij, zij, hetstam + tjij kleurt, hij kleurt
wij, jullie, zijhele werkwoordwij kleuren

Zo vind je de stam: haal -en van het hele werkwoord af.

  • kleuren → kleur
  • fluiten → fluit
  • zorgen → zorg
  • huilen → huil
  • rusten → rust

Let op bij jij: staat jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je alleen de stam:
Jij kleurt. → Kleur jij?

Let ook op: eindigt de stam al op een t, dan komt er geen extra t bij.
rusten → rust → hij rust
gieten → giet → hij giet


Oefening 1 – Vul het schema in

Schrijf de juiste vorm in de tegenwoordige tijd.

Werkwoordikhijwij
gieten______________________________
zorgen______________________________
huilen______________________________
rusten______________________________

Oefening 2 – Schrijf de persoonsvorm op

Vul het werkwoord tussen haakjes goed in.

  1. Bert __________ hoog in een boom. (klimmen)
  2. Hij __________ even uit op een tak. (rusten)
  3. In de verte __________ hij huizen. (zien)
  4. Daarna __________ hij naar beneden. (kijken)
  5. De wereld __________ voor zijn ogen. (draaien)
  6. Bert __________ van angst. (zweten)
  7. Hij __________: “Ik durf niet meer!” (denken)
  8. “Ik __________ er niet meer uit,” zegt hij. (durven)
  9. “Als ik __________, __________ iemand mij misschien.” (wachten, redden)
  10. “__________ ik hier morgen nog?” (zitten)
  11. Bert wordt moe en __________. (gapen)
  12. Hij __________ naar huis. (bellen)
  13. “__________ jullie me alsjeblieft halen?” (komen)

Oefening 3 – Kies de goede vorm

Kies de juiste persoonsvorm.

  1. Jij fluit / fluitt een vrolijk liedje.
  2. De kinderen kleurt / kleuren de tekening.
  3. Rust / Rustt jij even uit?
  4. Mijn broer zorg / zorgt voor de hond.
  5. Ik giet / giett water in de plantenpot.
  6. De vogels fluit / fluiten in de boom.

Extra uitdaging

Schrijf drie eigen zinnen in de tegenwoordige tijd:

  • Eén zin met ik: __________________________________
  • Eén zin met hij of zij: __________________________
  • Eén zin met wij of jullie: ________________________